finish with
fi
ˈfɪ
fi
nish
nɪʃ
nish
with
wɪð
vidh
/fˈɪnɪʃ wɪð/

Definitie en betekenis van "finish with"in het Engels

to finish with
[phrase form: finish]
01

het uitmaken met, de relatie beëindigen met

to end one's romantic relationship with someone
Dialectbritish flagBritish
to finish with definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
with
basiswerkwoord
finish
tegenwoordige tijd
finish with
3e persoon enkelvoud
finishes with
onvoltooid deelwoord
finishing with
onvoltooid verleden tijd
finished with
voltooid deelwoord
finished with
Voorbeelden
Gemma could n't hide her tears as she told James, ' I 'm finishing with you, and it's over.'
Gemma kon haar tranen niet verbergen toen ze James vertelde: 'Ik maak het uit met jou, en het is voorbij.'
02

klaar zijn met, afmaken met

to complete the use of an object or to conclude a task
Voorbeelden
After she finished with the camera, I used it to take some photos.
Nadat ze klaar was met de camera, gebruikte ik hem om wat foto's te maken.
03

klaar zijn met, stoppen met

to stop doing something, particularly a habit or activity
Dialectbritish flagBritish
Voorbeelden
I've finished with making excuses and am ready to take responsibility.
Ik ben klaar met excuses maken en ben klaar om verantwoordelijkheid te nemen.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store