Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to wed
01
trouwen, in het huwelijk treden
to legally become someone's wife or husband
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
wed
3e persoon enkelvoud
weds
onvoltooid deelwoord
wedding
onvoltooid verleden tijd
wedded
voltooid deelwoord
wedded
Voorbeelden
The couple decided to wed in a small, intimate ceremony with close friends and family.
Het paar besloot te trouwen in een kleine, intieme ceremonie met goede vrienden en familie.
02
trouwen, verenigen
to unite two people in marriage through a formal ceremony
Transitive: to wed a couple
Voorbeelden
The priest will wed the couple in a small chapel by the sea.
De priester zal het paar trouwen in een kleine kapel aan zee.
01
woensdag, de vierde dag van de week
the fourth day of the week; the third working day
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
meervoudsvorm
weds
eigennaam
01
getrouwd, verenigd
having been taken in marriage
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
voltooid-deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord
kwalitatief
overtreffende trap
most wed
vergrotende trap
more wed
gradueerbaar
Lexicale Boom
wedding
wed



























