Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to sit up
[phrase form: sit]
01
gaan zitten, oprichten
to change one's position from a lying position into an upright one
Voorbeelden
The baby learned to sit up on her own, a milestone in her development.
De baby leerde zelf op te zitten, een mijlpaal in haar ontwikkeling.
02
opblijven, wakker blijven
to stay awake beyond the usual or expected time
Voorbeelden
Despite feeling tired, she decided to sit up and watch the late-night talk show.
Ondanks dat ze moe was, besloot ze op te blijven en de late-night talkshow te kijken.
03
opzetten, ophijsen
to help a person to move from a reclined position to a seated one
Voorbeelden
Parents often sit up their infants to burp them after feeding.
Ouders zetten hun baby's vaak rechtop om ze te laten boeren na het voeden.
04
opletten, interesse tonen
to pay attention or show interest, especially in a particular topic or conversation
Voorbeelden
When the professor mentioned the upcoming exam, the students immediately sat up and took notice.
Toen de professor de aankomende examen noemde, zaten de studenten meteen rechtop en letten ze op.



























