Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to run on
[phrase form: run]
01
voortduren, zonder pauze doorgaan
to continue without a pause, often lasting longer than expected or needed
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
on
basiswerkwoord
run
tegenwoordige tijd
run on
3e persoon enkelvoud
runs on
onvoltooid deelwoord
running on
onvoltooid verleden tijd
ran on
voltooid deelwoord
run on
Voorbeelden
The marathon runner did n't realize the race would run on for an additional mile due to a last-minute course change.
De marathonloper realiseerde zich niet dat de race door een last-minute wijziging van het parcours nog een extra mijl zou voortduren.
02
draaien op, werken op
to operate using a specific energy source
Voorbeelden
The flashlight runs on rechargeable batteries, making it eco-friendly.
De zaklamp draait op oplaadbare batterijen, wat hem milieuvriendelijk maakt.
03
doordraven, aan een stuk door praten
to speak about something without pausing, even though it may be difficult to understand or follow
Voorbeelden
At the family gathering, Uncle Bob ran on about his fishing trip, with everyone politely nodding.
Tijdens de familiebijeenkomst bleef oom Bob praten over zijn visreis, terwijl iedereen beleefd knikte.



























